Category: Collectie van Christiaan

  • De kunst van het verzamelen

    De kunst van het verzamelen

    Onlangs is mij een verzameling toegekomen, die ik nu langzaam aan het sorteren ben. Via mijn overgrootvader, grootvader, en moeder is mij een aantal stockboeken, mappen, en dozen vol met postzegels toegekomen. Het oudste zegeltje dat ik tot nu toe heb gezien is uit 1852, en het nieuwste is 2024. Een goede anderhalve eeuw aan postzegelgeschiedenis dus.

    Postzegels sparen, dat is toch iets van vroeger en voor oude mensen? Dat klopt helemaal. Verzamelingen worden helaas niet meer doorgegeven aan de kinderen, of de kinderen weten het niet op waarde te schatten en zetten (grote) postzegelverzamelingen op marktplaats, of brengen ze naar een veilinghuis. Zo ook afgelopen zondag toen ik met Judith van dit blog naar veilinghuis Derksen in Arnhem was om rond te kijken op een kijkdag. Dozen en dozen vol met mappen en losse zegeltjes. Wat is daar nou leuk aan?

    Zoals met elke verzameling, of het nu hot wheels, Star Wars, Pokémon, munten, of postzegels betreft, zijn er verschillende soorten verzamelaars. Daar waar de een gewoon lukraak verzameld, heeft de ander een systeem om alles netjes te sorteren en de categoriseren. Gaan we naar postzegels specifiek dan wil de ene verzamelaar gewoon één exemplaar van elk zegeltje, terwijl de ander meer specifieke voorkeuren heeft. Laat ik een paar variaties opnoemen in de filatelie waar op je zou kunnen verzamelen:

    • één exemplaar van het zegeltje, gestempeld
    • één ongebruikt exemplaar, mar de gomlaag op de achterkant mag aangetast zijn
    • één postfris exemplaar, met intacte gomlaag

    Dat zijn de drie basisvarianten. Maar, daar houdt het niet bij op voor de serieuze verzamelaar. Er zijn nog een paar meer dingen om op te letten

    • Welke stempel zit op een postzegel, sommigen zijn heel zeldzaam en waardeverhogend
    • De perforaties aan de randjes kunnen verschillende maten hebben, ook daarin zijn dus variaties mogelijk
    • Rolvertandingen, weer een andere vorm van perforaties
    • Plaatfouten ofwel beschadigingen in de drukplaat, zorgen voor nog een laag aan variaties
    • Postzegels die nog als koppeltje (of zelfs als heel vel) aan mekaar zitten
    • Postzegels die nog op een intacte envelop zitten. (een ‘cover’ in filatelie-taal)
    • Eerstedagsenveloppen, al dan niet gestempeld. Dit zijn enveloppen die uitgegeven zijn met een zegel erop geplakt, op de eerste dag dat die envelop uit kwam. Soms met een bijzondere stempel er ook nog op
    • Postzegelboekjes/automaatboekjes, met alle verschillende aanduidingen
    • Misdrukken
    • Bedoelde variaties in de zegel (zoals bij de Black Penny hieronder)
    De Black Penny, de allereerste postzegel. Merk op dat in de onderhoekje verschillende letters staan. Dit zijn de colommen en rijen van het vel waarop deze zegels zaten. Dit ging van AA tot TL. En er zijn 11 verschillende drukplaten gebruikt. 340 zegels per plaat. 3740 verschillende black pennies alleenal op deze manier. Je zou dus een verzameling kunnen aanleggen van alleen deze zegel, en ze dan alle 3740 proberen te vinden.

    Deze lijst is nog niet eens eindig.

    Toen ik een half jaar geleden begon met het ordenen van mijn verzameling, ben ik eerste even naar de plaatselijke postzegel- en muntenhandelaar gegaan hier in Nijmegen om te vragen wat wijsheid was. Daar kwamen al snel de nodige verhalen naar boven, maar ook één cruciaal ding als je zegels spaart: “De Catalogus”.

    In Nederland is er de catalogus van de Nederlandsche Vereniging van Postzegelhandelaren, ook wel de NVPH genoemd. Zij geven elke paar jaar een boekje (nouwja, een boekwerk van honderden paginas) uit met daarin een overzicht van alle tot dan toe uitgegeven postzegels in Nederland. Keurig voorzien van een nummer. Zo is de zegels NVPH 1, 2 en 3 de eerste drie postzegels die hier ooit zijn uitgegeven. Een 5, 10 en 15 cent zegeltje met Koning Willen III erop. Deze set van drie wordt ook wel de “eerste emissie” genoemd.

    Hier een aantal zegels van de eerste emissie. Merk op dat de formaten nogal verschillen. Dit komt omdat de zegels (zie ook de black penny) op een vast vel waren gedrukt zonder perforaties. Een zegeltje uitknippen betekende dus netjes tussen twee zegels door knippen. Hoe groter de marge om de zegel heen, hoe waardevoller hij is. En natuurlijk moet er wel enige marge zijn. De NVPH 3 helemaal rechtsonder bijvoorbeeld, is te klein geknipt en mist niet alleen de marge, maar ook een deel van de afbeelding.

    Kijk je in de catalogus dan begint het met NVPH 1 “donker- tot lichtblauw” en drie waardes, voor postfris, gestempelde exemplaren, en nog op een envelop in zijn geheel. Een dergelijk zegeltje vinden in gebruikte staat is niet heel lastig en kost je een paar tientjes.

    Postfris wil zeggen “zoals hij bij het postkantoor is gekocht” oftuwel in perfecte conditie. Één stapje daaronder is “ongebruikt”, waarbij de zegel – hoewel postfris – restanten heeft van een zogenaamde plakker (Engels: hinge), een klein stukje papier dat vroeger werd gebruikt om zegels in een album te plakken. Dat beschadigd de gomlaag, dus is hij niet meer postfris. Iets ruimer kan je zeggen dat het gaat om een zegel die niet is afgestempeld, maar geen intacte gomlaag meer heeft. De laatste gradatie is de gebruikte zegel, waarbij er een poststempel (Engels: cancel) op zit. En zoals gezegd, sommige cancels zijn juist weer waardeverhogend omdat ze heel zeldzaam zijn, of heel zeldzaam op de specifieke zegel.

    Maar…

    Kijk je in de catalogus dan zie je van dit ene zegeltje, in ieder geval de variaties 1a tot en met 1r bestaat. Dat zijn er al 18. Hoe komen ze aan al die variaties? Deze zegels zijn met in ieder geval zes verschillende drukplaten gedrukt. Elk van deze zes platen heeft wat kleine kenmerken erin zitten, dus als je goed naar je zegeltje kijkt kun je door de kenmerkjes (kleine krasjes in de specifiek plaat) herleiden van welke plaat je zegel kwam. Dan zijn er nog verschillende soorten papier gebruikt bij de productie, en verschillende inkten die net een andere tint hadden. Of een andere gomsoort. En zo kom je bijvoorbeeld bij NVPH 1m “Plaat IV, melkblauw, bruine gom (sporen)” of NVPH 1p “Plaat V groenblauw op niet getint papier” uit.

    Alleen al de eerste emissie heeft zo 1a t/m 1r, 2a t/m 2q en 3a t/m 3d. 39 varianten. Doe er nog paren, strippen, brugparen, blokken van vier, zegels met ‘specimen’ opdruk, eerstedagstempels en natuurlijk de vijf verschillende soorten afstempeling:

    • FRANCO met egyptische letters zonder jaartal,
    • FRANCO met jaartal
    • FRANCO met groteskue letters vrijal altijd met jaartal
    • Het FRANCO-kastje stempel
    • Het langstempel

    Er zijn daadwerkelijk boeken geschreven over deze eerste emissie in Nederland, en alle poststempels die erop kunnen staan. Je zou je kunnen verliezen hierin en alleen nog deze drie zegeltjes sparen, in al hun variaties.

    Voor mijn eigen sanity beperkt ik mij op dit moment tot het vinden van één exemplaar van elk zegeltje. Bij voorkeur postfris, maar aangezien vooral de vroege zegels dan erg kostbaar worden, mag een stempeltje ook gerust.
    Ik heb NVPH 1 en 2, beide afgestempeld met respectivelijk een Franco met jaartal, en een franco-kastje. Ik heb het plaatje, op naar de volgende.

    Maar waarom eigenlijk? Waarom zegeltjes sparen? Voor mij is het een voortzetting van een verzameling die al drie generaties is opgebouwd. Het geeft mij wat inzichten in mijn familie, maar het geeft ook fantastische kleine kijkjes in de tijd van toen. Postzegeltjes zijn kleine kunstwerkjes, kleine schilderijtjes, die de tijdsgeest vangen. Art Deco, Art Nouveau, de soberheid van de oorlogsjaren, de bevrijdingszegels.

    De kunst van het verzamelen is weten wat je wil verzamelen, hoe je iets wil presenteren, en vooral ook waar je de grens trekt. Een thema in je verzameling is altijd goed natuurlijk. BIj mijn glaswerk is dat een combinatie van “uraniumglas” en “Scandinavisch glas” en “Nederlands glas”.

    Gelukkig nemen postzegeltjes niet veel ruimte in beslag, dus dit kon er nog wel bij… En ik beperk mij met de Nederlandse zegeltjes uit het gulden-tijdperk, en ik spaar de plaatjes zonder variaties.

  • Onder de blacklight

    Onder de blacklight

    Ik ben een beta, een nerd, “Natuur en techniek” is mijn ding. In het verzamelen van glaswerk is er daarmee één specifiek soort glas die nog net even wat interessanter is dan de rest: radioactief glaswerk.

    Als je een stuk normaal glas pakt lijkt het kleurloos, maar als je een wat dikker stuk pakt, of gerecycled glaswerk, dan zie je al snel een blauwgroene kleur. Dat is min of meer de normale kleur van glas, veroorzaakt door ijzeroxide onzuiverheden. Wil je daar verandering in brengen dat kun je ervoor kiezen om ionen toe te voegen: mangaan, cadmium, of uranium.

    De eerste op ons lijstje is mangaan. In kleine hoeveelheden werd dit gebruikt om glas kleurloos te maken, ofwel om de blauwe tint van de ijzeroxide tegen te gaan. Dit is een ouder proces en wordt tegenwoordig niet veel meer gedaan. Hieruit kun je een indicatie krijgen of het glaswerk dat je bekijkt oud is of niet. Mangaan werd tot ongeveer 1920 veel gebruikt, later nog maar zelden.

    Maar hoe zie je of glaswerk mangaan bevat? Het is immers kleurloos, en er zit geen labeltje onder waarop staat “bevat mangaan”. Hier komt een van mijn vaste “kringloop-gereedschapjes” bij kijken: een blacklight zaklamp, en wel eentje met een 365nm ledje erin. Mangaanglas kleurt een beetje groen onder een blacklight. Dus, sta je in de kringloop voor een kast vol met glas, dan schijn je erop, en de glazen die groen oplichten zijn waarschijnlijk oud. Natuurlijk is het geen garantie op oud glas, en niet al het oude glas zal oplichten, maar het is een handige en snelle eerste filtering. Mangaan is overigens niet radioactief, maar reageert dus wel op een blacklight.

    Hier zien we een setje messenleggenrs van het merk Val St Lambert, een Belgisch glashuis, zoals aangetroffen in een kringloop. Met mn blacklight kleuren de kleurloze leggers groen. Dit is typisch mangaanglas, en zeker met het doosje erbij is dit “in keeping with” de indruk dat dit glas uit de periode rond 1910-1920 zal zijn.

    Tot zover mangaan. De volgende waar ik wat aandacht aan wil spenderen is cadmiumglas. Ook dit is niet radioactief, maar wel een zwaar metaal. Als je cadmium toe voegt aan glas krijgt het een gele, oranje of rode kleur en onder een blacklight licht het oranje op. Een kleine valkuil hierbij is de soms geelgroene oplichting die je ziet onder blacklight. Dat is geen cadmium maar boron nitride en zit alleen op de buitenkant van het glas. Boron nitride is een “release agent” en werd gebruikt op de mal om glaswerk eruit te krijgen zoals je ook je bakvorm invet. Het verschil tussen deze twee is heel duidelijk als je het eenmaal een keertje hebt gezien.

    Hieronder zie je twee stuks cadmiumglas uit mijn verzameling. Een overduidelijk oranje kleur onder normaal licht, en gele oplichting onder een blacklight. In het echt is het een stukje spectaculairder, ik krijg het gewoon niet goed op de foto. DuckDuckGo vooral even op cadmium glass voor foto’s van dit bijzondere glas.

    En dan de laatste glastoevoeging waar ik het even over wil hebben: uranium. Het is licht radioactief en kleurt glas geel tot groen. Heel erg herkenbaar en onder een blacklight licht het felgroen op. Helaas is het een beetje in de mode geraakt de laatste jaren, waardoor kringlopen het nu veelal in een vitrine hebben staan, al dan niet met een blacklight erboven. En natuurlijk een bijpassend hoog prijskaartje.


    Hieronder nog een stuk uit mijn verzameling, een likeurset “Curro” van de Kristalunie Maastricht. Ontworpen door J.W. Roozendaal in 1931. De kenmerkende groene kleur onder normaal licht, en een spectaculair oplichten onder blacklight.

    Kijk je op marktplaats dan zul je het nodige aan uraniumglas vinden (ook wel “anagroen” of “vaseline glas” genoemd), maar, er wordt ook heel veel mangaanglas verkocht als zijnde uranium “want het licht groen op onder een blacklight.” Het verschil is echter overduidelijk: uraniumglas is nooit kleurloos, mangaanglas is dat wel, tevens is de oplichting onder blacklight heel veel feller bij uranium. Laat je dus niet foppen.

    Naast uranium, cadmium en mangaan zijn er nog andere toevoegingen aan glas. Een deel ervan kun je onder een blacklight herkennen, en een enkeling (zoals Thorium, te vinden in sommige oude cameralenzen) is ook radioactief.

    Dus, neem eens een blacklight mee naar de kringloop. Wie weet wat je vindt!

  • De eerste regels van glas verzamelen

    De eerste regels van glas verzamelen

    Loop een kringloop binnen, en al snel kom je dat hoekje tegen. Het glaswerk. Ik kan er nooit langs lopen zonder even goed te kijken, maar dat komt ook omdat ik glaskunst verzamel. In de loop der jaren (twee hele jaren al!) heb ik er een klein beetje oog voor ontwikkeld. Je gaat stijlen herkennen, makers of fabrikanten, en soms bij het laten glijven van je blik over de stellingkasten valt ineens je oog op iets dat net even een ander glansje heeft.

    Maar, waar let je nu eigenlijk op? Zelf ben ik vooral op zoek naar Scandinavisch glas en Nederlands glas. En daarbinnen zoek ik dan vooral de gesigneerde stukken. Om te voorkomen dat mijn vitrinekast nog verder overvol raakt heb ik mijzelf één regel opgelegd: Glas moet gesigneerd zijn. En dan het liefst met de naam van de maker, en niet alleen de fabriek. Het Zweedse glashuis orrefors bijvoorbeeld, etst de fabrieksnaam op de onderkant van de eenvoudigere productiestukken. (Zoals op de “Framboos” waxinelichthouder hieronder). Hiermee is het al iets bijzonderder dan ongesigneerd werk. Je weet in ieder geval precies wat het is en waar het vandaan komt.

    Een geëtste signatuur van de Orrefors glasfabriek.

    Elke kringloop heeft honderden stukken glas. Het merendeel zijn oude bierglazen, wijnglazen, en wat er allemaal zoal nog meer over blijft bij het leeghalen van een huis. Er zijn een aantal “usual suspects” die je in bijna elke kringloop weer ziet. Vooral glaswerk dat via AH spaaracties verkregen kon worden zie ik veel, één van die items in het bijzonder kom ik in een latere post op terug, omdat het voor mij een ijkpunt is geworden voor de prijzen in de betreffende kringloop.

    Tussen al het generieke glas, staat dus soms iets waarvan het getrainde oog direct ziet dat het niet is zoals alle anderen. Het is met meer zorg gemaakt, het schittert net iets meer en is een stuk zwaarder (loodglas), heeft een andere vorm, oogt oud. Het heeft iets. Elk van deze voorwerpen zal ik even oppakken en goed bekijken en vooral ook bevoelen. Omdraaien en naar de onderkant kijken voor een signatuur is veelal de eerste stap. Zit die er niet, dan kan het nog steeds interessaant zijn. (Denk aan een Floris Meijdam Beukenootje, of een Copier spijkerbol. Maar deze twee herken je van 10 meter afstand nog..)

    Een Floris Meydam “Beukennootje” (via Catawiki)

    Na het goed kijken, komt ook altijd even het goed voelen. Is alles nog heel. En met heel bedoel ik echt heel. Want hier komen we bij mijn tweede regel voor glas: Het moet onbeschadigd zijn. Soms zie je een schade niet direct, maar door het glas even helemaal met je vingers af te gaan merk je elk scherp randje direct. Ogen dicht, en bevoel het hele stuk.

    Glaswerk dat beschadigd is, of het nu een duidelijke chip, scheur, kras, of miniscuul klein chipje (ook wel een “fleabite” genoemd) heeft, is in vrijwel alle gevallen direct niet meer interessant voor de verzamelaar. Glas is namelijk een kunstvorm die speelt met licht. En dan ga je elk foutje dus ook zien. Het meest gevoelig voor schade is glaswerk met wat ik een geslepen rand noem. Dit komt vooral veel voor bij vaasjes. Die rand is heel erg kwetsbaar, en één verkeerde tik en er zit een chipje in, prominent in beeld. Door de veelal strakke vormgeving valt het nog veel meer op.

    Krasjes zijn minder erg, en als ze op de onderkant zitten, kunnen ze ook een teken of bewijs zijn van ouderdom. Maar toch, een kras op de mooie glanzende zijkanten van een Beukenootje is gewoon zonde. Dus in de kringloop even met een hoekje van je shirt poetsen om te kijken of iets een echt krasje is, of alleen vuil.

    Over vuil gesproken, dat een Beukenootje of een Spijkerbol de vorm van een vaasje heeft, betekend nog niet dat je hem als vaasje moet gebruiken! Deze voorwerpen hebben een hele smalle hals, maar kunnen wel water bevatten en menig vorige eigenaar heeft dat dan ook gedaan.

    Het water verdampt, de kalkaanslag blijft achter, en als je dat maar vaak genoeg doet raakt het glas onherstelbaar beschadigd. Zelfs na schoonmaken met bijvoorbeeld azijn, blijft er een een witte waas achter. Ook dit valt onder schade.

    In de kringloop wordt glaswerk meestal niet heel voorzichtig behandeld, en butsjes, krasjes en chips zijn dan ook eerder regel dan uitzondering. Dus Christiaan, je koopt nooit glaswerk in de kringloop want het is toch allemaal stuk? Nou, de inhoud van m’n “glaskast” spreekt je tegen. Het is wel zo dat ik menig kringlooptripje niets meer koop omdat het tegen mijn regels in gaat.

    Regels zijn er om te breken


    Maar soms, soms kom je iets tegen waar je toch een gokje op waagt. In een kringloop in Nijmegen zag ik een onogelijke vaas staan. Ruim 30cm hoog, 15cm in doorsnede, en vol, maar dan ook echt vol kalkaanslag. Iets deed mij deze vaas wel oppakken en op de onderkant kijken. En daar stond met een kraspen ingekrast: “Leerdam-unica V375 A.D. Copier”.

    Dit stuk is oud, en heeft een zwaar leven gehad. Maar het is volledig gesigneerd!


    Een Nederlands stuk glas, gemaakt door Andries Copier. De V375 geeft aan dat dit werk uit 1943 komt. De unica aanduidig wil zeggen dat dit een uniek stuk is, een one-off. En het prijsstickertje erop gaf aan dat ik er welgeteld EUR3.50 voor neer moest tellen. Daarvoor wilde ik het gokje wel wagen, er zal vast altijd wel iemand zijn die meer dan 3.50 geeft voor een Copier unica, zelfs met al deze schade.

    Merk in de foto hieboven trouwens ook al die kleine chipjes op, op de rand van de voet. Dat is hier niet heel erg omdat het past bij de leeftijd van het stuk en het beperkte schade is.

    Na goed schoonmaken blijkt het stuk vooral kasjes te hebben op de buitenkant, geen chips, geen scheuren. En de aanslag ging er vrijwel allemaal uit. Evengoed, ik heb één van mijn regels gebroken, dit werk is beschadigd. Maar, hierin zit ook direct de uitzondering: Is het een bijzonder stuk, dan is beperkte schade minder erg. Maar bedenk voor jezelf hoe ver je hierin wil gaan.

    En zo komen we bij mijn twee eerste regels voor glas, zodat de kast minder snel vol raakt:

    • Het moet gesigneerd zijn (of een bekend werk);
    • Het moet onbeschadigd zijn.